✦
Alle woorden op een rij. Verberg de vertaling om jezelf te overhoren.
Een schrift
Voorbeeld: Ik heb een schrift in mijn tas.
دَفْتَرٌ
Een gedachte, idee
Voorbeeld: Ik heb hier een goed idee over.
فِكْرٌ
Vlees
Voorbeeld: Mijn moeder kookte vlees voor het avondeten.
لَحْمٌ
Een oom (vaderskant)
Voorbeeld: Ik heb een oom die in Duitsland woont.
عَمٌّ
Rechts
Voorbeeld: De school staat aan de rechterkant van de weg.
يَمِينٌ
Papier
Voorbeeld: Kun je mij een vel papier geven?
وَرَقٌ
Een vader
Voorbeeld: Hij is een vader van drie kinderen.
أَبٌ
Een schaduw
Voorbeeld: Ik zag een schaduw op de muur.
ظِلٌّ
Een land
Voorbeeld: Turkije is een mooi land.
بَلَدٌ
Dankbaarheid
Voorbeeld: Je moet dankbaar zijn voor de zegeningen.
شُكْرٌ
Duisternis
Voorbeeld: In duisternis kon ik niets zien.
ظُلْمَةٌ
Een kat
Voorbeeld: Er zit een kat in de tuin.
هِرَّةٌ
Links
Voorbeeld: Schrijf je met je linkerhand?
يَسَارٌ
Een jongen
Voorbeeld: Er speelt een kleine jongen in de tuin.
وَلَدٌ
Een paard
Voorbeeld: Er rent een paard in de wei.
حِصَانٌ
Een brief
Voorbeeld: Ik schreef een brief aan mijn vriend.
مَكْتُوبٌ
Een berouwvolle
Voorbeeld: Hij is een berouwvol mens.
تَائِبٌ
Schreef
Voorbeeld: De leerling schreef zijn naam op het bord.
كَتَبَ
At (van eten)
Voorbeeld: Het kind at een appel.
أَكَلَ
Kwam, was aanwezig
Voorbeeld: De leraar kwam de klas binnen.
حَضَرَ
Brak
Voorbeeld: De bal brak het raam.
كَسَرَ
Hoorde
Voorbeeld: Ik hoorde een geluid.
سَمِعَ
Ging
Voorbeeld: Hij ging gisteren naar de winkel.
ذَهَبَ
Wist
Voorbeeld: Hij wist het antwoord.
عَلِمَ
Dronk
Voorbeeld: Hij dronk een glas water.
شَرِبَ
Vond
Voorbeeld: Hij vond de verloren sleutel.
وَجَدَ
Stapte in, reed
Voorbeeld: Hij stapte in de bus om naar school te gaan.
رَكِبَ
Ging binnen
Voorbeeld: Hij ging de kamer binnen.
دَخَلَ
Verspreidde
Voorbeeld: Hij verspreidde het nieuws onder iedereen.
نَشَرَ
Een kameel (mannetje)
Voorbeeld: We zagen een kameel in de woestijn.
جَمَلٌ
Een huis
Voorbeeld: Zij hebben een nieuw huis gekocht.
بَيْتٌ
Een berg
Voorbeeld: Naast het dorp staat een hoge berg.
جَبَلٌ
Schade
Voorbeeld: De storm richtte schade aan aan de huizen.
ضَرَرٌ
Een zoon
Voorbeeld: Zij heeft een zoon.
اِبْنٌ
Een dochter, meisje
Voorbeeld: Zij heeft een dochter en een zoon.
بِنْتٌ
Tajwied
Voorbeeld: We leren de Koran lezen met tajwied.
تَجْوِيدٌ
Arm, een arme
Voorbeeld: We moeten arme mensen helpen.
فَقِيرٌ
Het kind (jongen)
Voorbeeld: Het kind speelt in het park.
اَلطِّفْلُ
De leerling (jongen)
Voorbeeld: De leerling kwam te laat voor de les.
اَلتِّلْمِيذُ
De les
Voorbeeld: De les van vandaag was heel makkelijk.
اَلدَّرْسُ
Het vlees
Voorbeeld: De slager sneed het vlees.
اَللَّحْمُ
De zomer
Voorbeeld: De zomer was dit jaar erg warm.
اَلصَّيْفُ
De vis
Voorbeeld: De vis was heel vers.
اَلسَّمَكُ
De handelaar
Voorbeeld: De handelaar verkocht tapijten op de markt.
اَلتَّاجِرُ
Het paard
Voorbeeld: Het paard rust in de stal.
اَلْحِصَانُ
Het meisje
Voorbeeld: Het kleine meisje speelt met haar pop.
اَلطِّفْلَةُ
De leerlinge
Voorbeeld: De leerlinge leverde haar huiswerk in.
اَلتِّلْمِيذَةُ
Het lawaai
Voorbeeld: Door het lawaai buiten kon ik niet slapen.
اَلضَّجِيجُ
De vos
Voorbeeld: De vos joeg de kippen achterna.
اَلثَّعْلَبُ
De hemel, lucht
Voorbeeld: De lucht is vandaag helemaal blauw.
اَلسَّمَاءُ
De speer
Voorbeeld: De soldaat gooide de speer.
اَلرُّمْحُ
Hielp
Voorbeeld: Hij hielp zijn broer met zijn huiswerk.
نَصَرَ
Opende
Voorbeeld: Hij opende de deur.
فَتَحَ
Sloeg
Voorbeeld: Hij sloeg hard tegen de bal.
ضَرَبَ
Bedankte
Voorbeeld: Hij bedankte zijn leraar.
شَكَرَ
Studeerde
Voorbeeld: Hij studeerde de hele nacht voor het examen.
دَرَسَ
Sneed
Voorbeeld: Hij sneed het brood met een mes.
قَطَعَ
De schriften
Voorbeeld: De schriften liggen op tafel.
اَلدَّفَاتِرُ
De school
Voorbeeld: De school begint om acht uur.
اَلْمَدْرَسَةُ
Een les
Voorbeeld: Ik heb vandaag een les.
دَرْسٌ
De maan
Voorbeeld: De maan is vannacht erg helder.
اَلْقَمَرُ
De man
Voorbeeld: De man wacht op de bus.
اَلرَّجُلُ
Het water
Voorbeeld: Het water is erg koud.
اَلْمَاءُ
Een deur
Voorbeeld: De kamer heeft twee ramen en een deur.
بَابٌ
De moeder
Voorbeeld: De moeder las haar kind een verhaaltje voor.
اَلْأُمُّ
De ster
Voorbeeld: De ster schijnt aan de hemel.
اَلنَّجْمُ
De heerschappij, het bezit
Voorbeeld: De heerschappij behoort aan Allah.
اَلْمُلْكُ
Een ochtend
Voorbeeld: Het was een mooie ochtend.
صَبَاحٌ
De vrouw
Voorbeeld: De vrouw kocht groenten op de markt.
اَلْمَرْأَةُ
De bloem
Voorbeeld: De bloem ruikt heel lekker.
اَلزَّهْرَةُ
De kamer
Voorbeeld: De kamer is op de tweede verdieping.
اَلْغُرْفَةُ
De moslim (man)
Voorbeeld: De moslim bidt vijf keer per dag.
اَلْمُسْلِمُ
De moslima
Voorbeeld: De moslima ging naar de moskee.
اَلْمُسْلِمَةُ
Een geleerde
Voorbeeld: Hij is een bekende geleerde.
عَالِمٌ
Een kip
Voorbeeld: In onze tuin loopt een kip.
دَجَاجَةٌ
De zon
Voorbeeld: De zon komt op in het oosten.
اَلشَّمْسُ
De tuin
Voorbeeld: We kweken tomaten in de tuin.
اَلْحَدِيقَةُ
De boom
Voorbeeld: De takken van de boom zijn erg lang.
اَلشَّجَرَةُ
De plicht, het huiswerk
Voorbeeld: Het huiswerk was erg moeilijk.
اَلْوَاجِبُ
Het glas (materiaal)
Voorbeeld: Het glas is gebroken.
اَلزُّجَاجُ
Waste
Voorbeeld: Hij waste zijn handen voor het eten.
غَسَلَ
Tekende
Voorbeeld: Hij tekende een huis op papier.
رَسَمَ
Ging zitten
Voorbeeld: Hij ging op de stoel zitten.
جَلَسَ
Plukte
Voorbeeld: Hij plukte een appel van de boom.
قَطَفَ
Stond op, stopte
Voorbeeld: Hij stond op toen de leraar binnenkwam.
وَقَفَ
De auto
Voorbeeld: De auto staat in de garage.
اَلسَّيَّارَةُ
De brief
Voorbeeld: De postbode bracht de brief.
اَلرِّسَالَةُ
Een afbeelding, foto
Voorbeeld: Er hangt een mooie afbeelding aan de muur.
صُورَةٌ
De koffie
Voorbeeld: De koffie is erg heet.
اَلْقَهْوَةُ
De thee
Voorbeeld: De thee is klaar.
اَلشَّايُ
De sinaasappel
Voorbeeld: De sinaasappel is erg zoet.
اَلْبُرْتُقَالُ
Vandaag
Voorbeeld: Het weer is vandaag mooi.
اَلْيَوْمَ
De schoen
Voorbeeld: De schoen is te klein voor mij.
اَلْحِذَاءُ
De vraag
Voorbeeld: De vraag was erg moeilijk.
اَلسُّؤَالُ
De lerares
Voorbeeld: De lerares vertelde ons een verhaal.
اَلْمُدَرِّسَةُ
De leraar
Voorbeeld: De leraar schreef op het bord.
اَلْمُدَرِّسُ
Het nieuws, bericht
Voorbeeld: Het nieuws maakte iedereen blij.
اَلْخَبَرُ
Een appel
Voorbeeld: Ik eet elke dag een appel.
تُفَّاحَةٌ
De kleren
Voorbeeld: De kleren liggen in de kast.
اَلْمَلَابِسُ
Het eten
Voorbeeld: Het eten was heel lekker.
اَلطَّعَامُ
De keuken
Voorbeeld: Mijn moeder kookt in de keuken.
اَلْمَطْبَخُ
De tas
Voorbeeld: De tas is erg zwaar.
اَلْحَقِيبَةُ
De bal
Voorbeeld: De kinderen spelen met de bal.
اَلْكُرَةُ
Het advies
Voorbeeld: Het advies van mijn opa was erg nuttig.
اَلنَّصِيحَةُ
De aarde
Voorbeeld: Op de aarde leven veel levende wezens.
اَلْأَرْضُ
Ja
Voorbeeld: Ja, ik ga met je mee.
نَعَمْ
Vraagwoordje (ja/nee vraag)
Voorbeeld: Ben jij een leerling?
أَ / هَلْ
Trok aan
Voorbeeld: Hij trok zijn jas aan.
لَبِسَ
Schiep
Voorbeeld: Allah schiep de hemelen en de aarde.
خَلَقَ
Droeg
Voorbeeld: Hij droeg de zware tas.
حَمَلَ
Werkte, deed
Voorbeeld: Hij heeft goed werk gedaan.
عَمِلَ
Speelde
Voorbeeld: Hij speelde voetbal met zijn vrienden.
لَعِبَ
Nee
Voorbeeld: Nee, ik kan vandaag niet komen.
لَا